Welk onderwijs past bij hoogbegaafden?

De eigenschappen en kenmerken die samengaan met hoogbegaafdheid en de mogelijke sociale en emotionele problemen, brengen mee dat er een andere vorm van onderwijs nodig is. Vaak wordt onterecht gedacht dat hoogbegaafde kinderen geen extra ondersteuning nodig hebben omdat ze voorlopen en slim genoeg zijn om ‘zichzelf te redden'. Of dat het voldoende is om ze extra werk te geven. Maar ieder kind, ongeacht de mate van begaafdheid, heeft passende ondersteuning nodig.

Omdat hoogbegaafdheid per hoogbegaafd kind weer verschillend tot uiting komt, verschilt ook de benodigde ondersteuning per kind. Dit komt duidelijk naar voren in de profielen van hoogbegaafde leerlingen zoals beschreven door Betts en Neihart.

De zes profielen van hoogbegaafde leerlingen

In de zes profielen van Betts en Neihart worden vanuit de assen sociale aanpassing en prestaties verschillende typen hoogbegaafden beschreven. Deze profielen zijn niet statisch. Jouw kind kan in verschillende omgevingen een ander profiel laten zien.

passend onderwijs hoogbegaafden

De onderstaande zes profielen bieden inzicht in gedragingen en mogelijke problemen van hoogbegaafden op de basisschool en het voortgezet onderwijs. Aan de hand hiervan kun je ook zien hoe de persoonlijke groei van hoogbegaafde kinderen op cognitief, sociaal en emotioneel gebied gestimuleerd kan worden.

  1. De zelfsturende autonome leerling: deze leerling werkt zelfstandig, ontwikkelt eigen doelen en is ondernemend. Er wordt gewerkt vanuit een intrinsieke motivatie en er is een op groei gerichte-mindset aanwezig waarbij fouten maken gezien wordt als onderdeel van het leerproces. Deze leerling beschikt over goede sociale vaardigheden, staat voor de eigen overtuigingen en is respectvol naar anderen. Het risico bij de autonome leerling is dat hij weet wat hij kan, dit ook laat zien en daardoor de indruk kan wekken het allemaal alleen te kunnen. Maar deze leerling heeft net zo goed behoefte aan ondersteuning en ruimte om zichzelf verder te ontwikkelen aan de hand van passende uitdaging in combinatie met opbouwende feedback van de omgeving.
  2. De aangepast succesvolle leerling: deze leerling levert goede prestaties maar kan meer. Dat wordt ook wel relatief onderpresteren wordt genoemd. Hoewel er namelijk goed wordt gepresteerd, is het nog steeds onder het eigen niveau van kunnen. Deze leerling is perfectionistisch en vermijd zoveel mogelijk risico’s en uitdagingen. Faalangst kan een grote beperkende rol gaan spelen en er wordt overmatig naar externe bevestiging gezocht. Vaak is er sprake van een vaste mindset waardoor het verband met oefenen en iets kunnen niet herkend wordt. Het risico bij de aangepast succesvolle leerling is dat hij gevoelig is voor verwachtingen van anderen, zich bovengemiddeld aanpast en vaak niet gezien wordt als onderpresterende leerling omdat er wel goede prestaties geleverd worden. Om deze leerling passend te ondersteunen is het ontwikkelen van zelfvertrouwen en assertiviteitsvaardigheden nodig, net als het verbeteren van zelfkennis, het aanleren van leerstrategieën en het aanbieden van uitdagingen net boven het beheersingsniveau. Een versneld en verrijkt curriculum kan daarbij helpen.
  3. De onderduikende leerling: deze leerling doet alles om niet op te vallen en wil er graag bijhoren. Vanuit het verlangen naar sociale acceptatie, wordt er bovengemiddeld aangepast waardoor deze leerling niet weet wat hij zelf wil en er geen eigen doelen worden nagestreefd. De sociale acceptatie is zo belangrijk dat het ook ten koste gaat van de eigen ontwikkeling. Deze leerling is vaak onzeker, gaat uitdagingen uit de weg en heeft last van faalangst. Het risico van de onderduikende leerling is dat ze vanwege het aanpassen psychosomatische klachten ontwikkelen zoals hoofdpijn en buikpijn en zich steeds meer gaan terugtrekken. Ze kunnen depressieve en suïcidale gevoelens ontwikkelen en uiteindelijk uitvallen op school. Om deze leerling te kunnen ondersteunen is aanmoediging nodig gericht op het anders (mogen) zijn, het ontwikkelen van de eigen autonomie en het aanbieden van op groei gericht activiteiten en ervaringen.
  4. De uitdagend creatieve leerling: deze leerling is creatief, komt met originele oplossingen en is kritisch ingesteld. Hij komt op voor zijn eigen opvattingen, stelt regels ter discussie, en is eerlijk en direct. Deze leerling behaalt wisselende resultaten en is competitief ingesteld. Het risico van de uitdagend creatieve leerling is dat er bij onvoldoende uitdaging opstandig of storend/clownesk gedrag ontstaat. Hier wordt deze leerling vaak op afgerekend wat het storende gedrag alleen maar erger maakt. Om deze leerling passend te ondersteunen is het nodig dat er aandacht komt voor het ontwikkelen van de sterke en creatieve kanten waarbij voldoende uitdaging wordt geboden. Het is nodig dat deze leerling de ruimte krijgt voor de eigen creativiteit, het maken van eigen keuzes en dat er ondersteuning wordt geboden bij het behalen van eigen doelen.
  5. De dubbel bijzondere leerling: deze leerling laat naast kenmerken van begaafdheid ook kenmerken van leer- en/of gedragsproblemen zien en ervaart al jong een disharmonie in zichzelf. Deze leerling kan zich hierdoor vaak gefrustreerd, ‘dom’ en onbegrepen voelen, wat zich kan uiten in problematisch gedrag en in wisselende prestaties. Het risico van de dubbel bijzondere leerling is dat zowel de begaafdheid als de leer- en/of gedragsproblemen elkaar kunnen verbloemen waardoor niet tijdig gezien wordt dat er begeleiding nodig is voor zowel de hoogbegaafdheid als specifiek voor de leer- en/of gedragsproblemen. Om deze leerling te kunnen ondersteunen moet de focus liggen op het bevorderen van de sterke kanten en het werken aan de zwakke kanten.
  6. De risicoleerling (dropout): deze leerling is erg gevoelig en creatief en wordt niet gemotiveerd door schoolse taken. Omdat school niet aansluit bij de eigen interesses, denkstijl en leerstijl, presteert deze leerling onder het niveau van zichzelf en onder de norm (absoluut onderpresteren). Hierdoor ontstaat er een negatief zelfbeeld en extreme zelfbekritisering. Het risico van de risicoleerling is dat deze zichzelf gaat isoleren, zichzelf verwaarloost, zich gaat verzetten tegen autoriteit, op school en thuis storend/ negatief gedrag gaat vertonen en zonder diploma school verlaat. De positieve kenmerken van begaafdheid laten zich dan ook steeds minder zien. Wanneer deze leerling bepaalde hobby’s kan nastreven, worden de talenten alsnog zichtbaar. De gewenste ondersteuning richt zich vooral op het leggen van de focus op deze (potentiële) talenten en het benadrukken hiervan. Deze leerling kan niet altijd nog binnen het schoolsysteem worden geholpen. Soms zijn alternatieven nodig.

Het verschil tussen eigenschappen en gedrag

De mate waarin de hiervoor genoemde kenmerken en eigenschappen tot uiting komen, en of ze op positieve of negatieve wijze tot uiting komen, wordt voor een groot deel bepaald door de omgeving waarin jouw hoogbegaafde kind moet functioneren. Een schoolomgeving die creatief denken niet stimuleert maar juist ontmoedigd, geeft creatieve kinderen bijvoorbeeld eerder het gevoel dom te zijn in plaats van slim. Daardoor worden kinderen bovendien ontmoedigd om de eigen gaven verder te ontwikkelen en in te zetten. En een slim kind dat ziet dat goede resultaten halen je niet populair maakt, zal eerder gaan onderpresteren en zich aanpassen aan klasgenoten.

Het is belangrijk om erbij stil te staan dat de omgeving bepaalde eigenschappen kan benadrukken, en ook bepaald gedrag kan oproepen. Soms ontstaat gedrag bijvoorbeeld omdat eigenschappen niet ingezet kunnen worden of er geen ruimte is voor de eigen autonomie. Kinderen die zich bovengemiddeld moeten aanpassen in de schoolomgeving, kunnen op school en/of thuis emotionele uitbarstingen krijgen, wat zelfs kan oplopen tot extreme woedeaanvallen. Of ze gaan zich juist terugtrekken waardoor depressieve gedragingen ontstaan. En kinderen die zich in de klas vervelen omdat het tempo te laag ligt, gaan zitten dagdromen of klasgenoten storen.

Wanneer jouw kind negatief gedrag vertoont, is het daarom belangrijk jouw kind niet meteen af te rekenen op het gedrag, maar om te gaan onderzoeken waar het gedrag door veroorzaakt wordt en wanneer het wel en niet tot uiting komt. Houd de communicatie open door jouw kind te bevragen en laat zien dat je samen tot oplossingen wilt komen. Een hoogbegaafd kind kan zich erg onbegrepen voelen en daarom gaan afsluiten. Wanneer je als ouder laat zien dat jij je best doet om hem of haar te begrijpen, zal dat positief bijdragen aan het gedrag van jouw kind en ook aan het gevoel van veiligheid en geborgenheid. Het draagt ook positief bij als je oprechte interesse toont in activiteiten waar jouw kind enthousiast over is. Zeker als er nog maar weinig is waar jouw kind echt enthousiast van wordt.

Wat is passend onderwijs voor hoogbegaafden?

We hebben nu gezien wat veelvoorkomende problemen en risico’s zijn die samengaan met hoogbegaafdheid. Om hoogbegaafden in het onderwijs goed te kunnen ondersteunen, is het belangrijk dat er ondersteuning wordt geboden op het naar voren brengen van de unieke kwaliteiten en het ontwikkelen van bepaalde vaardigheden.

Vanwege het voorlopen in de ontwikkeling worden bepaalde vaardigheden namelijk minder vaak beoefend omdat deze in de eerste schoolfases niet nodig zijn voor het komen tot resultaten. Denk hierbij aan plannen, leren, prioriteiten stellen en omgaan met (leer-)uitdagingen. Ook is er aandacht nodig met betrekking tot het voorkomen van de valkuilen die hoogbegaafdheid mee kunnen brengen. Dit vraagt om deskundigheid binnen een school op gebied van hoogbegaafdheid en de ruimte om hoogbegaafde kinderen een onderwijsaanbod te bieden wat aansluit op de individuele leer- en denkstijlen.
Als ouder is het goed om te begrijpen wat er nodig is, zodat je de mogelijkheden binnen de huidige school of een nieuwe school kunt onderzoeken en bespreekbaar kunt maken. Dat biedt de grootste kans dat jouw zoon of dochter de juiste ondersteuning krijgt en de eigen gaven kan ontwikkelen.

Passend onderwijs voor hoogbegaafden bestaat hoofdzakelijk uit de volgende onderdelen:
• Lesstof aanbieden in lijn met de denk- en leerstijl
• Uitdagende lesstof aanbieden
• Ontwikkelingsgelijken samenbrengen

1. Lesstof aanbieden in lijn met de denk- en leerstijl

Hoogbegaafden denken en leren anders wat logischerwijs ook invloed heeft op de manier waarop de lesstof aangeboden dient te worden. Kenmerkende denk- en leerstijlen voor hoogbegaafden en waar het onderwijs op moet aansluiten zijn de volgende:

  1. Topdown leren: hoogbegaafden denken vaak vanuit het grote geheel naar de losse onderdelen. Een topdown denker ziet alle kennis als onderdeel van de wereld om zich heen. Hoogbegaafde kinderen hebben het nodig om te begrijpen hoe iets in het geheel past om het te kunnen onthouden. Dit maakt het voor hoogbegaafden lastig om mee te komen in het huidige onderwijsstelsel waar de lesstof vooral bottum-up wordt aangeboden. Dat wil zeggen dat kennis wordt aangeboden in kleine stukken die uiteindelijk samenkomen in het geheel.
  2. Deep level leren: hoogbegaafden willen vooral de diepte ingaan. Ze zijn minder gericht op het stampen van feiten en hebben moeite met het onthouden en automatiseren hiervan, zoals nodig bij het leren van de tafels. Hoogbegaafden zijn vooral gericht op het kunnen begrijpen en toepassen van kennis en vanuit daar kunnen ze het onthouden.
  3. Lateraal denken: lateraal denken is een vorm van creatief denken. Het brengt mee dat hoogbegaafden snel verbanden kunnen leggen tussen oude en nieuwe stof en tot ongebruikelijke oplossingen kunnen komen omdat ze problemen creatief benaderen en vanuit verschillende perspectieven.
  4. Beelddenken: een beelddenker neemt informatie vooral op door het voor zich te zien. Het gebruik van schema’s, figuren en grafieken maakt het mogelijk om informatie te ordenen waarna het begrepen en toegepast kan worden. Wanneer er op school vooral informatie gedeeld wordt vanuit de leerkracht die iets voor de klas vertelt, heeft een beelddenker het moeilijk om deze informatie te ordenen en te onthouden.

2. Uitdagende lesstof aanbieden

Hoogbegaafden hebben over het algemeen minder herhaling nodig om tot beheersing van de leerstof te komen dan een gemiddelde leerling. Om te voorkomen dat hoogbegaafden zich gaan vervelen, cognitief lui worden, gaan onderpresteren of zich gaan misdragen, is het nodig dat er voldoende uitdaging wordt aangeboden. Twee manieren om dit te doen zijn:

  1. Compacten: dit houdt in dat overbodige herhalings- en oefenstof mag worden overgeslagen bij vakken waar blijkt dat leerlingen gezien hun vaardigheden minder uitleg en herhaling nodig hebben. Bij compacten wordt zo’n 50-75% van de oefenstof geschrapt en ongeveer 75-100% van de herhalingsstof.
  2. Verrijken: door lesstof te compacten, ontstaat ruimte waarin een hoogbegaafde leerling kan werken aan verrijkingstaken. Bij verrijking gaat het er niet om dat er meer werk gedaan moet worden, maar dat er werk wordt aangeboden met meerwaarde. Dat betekent dat de lesstof aanzet tot denken en ingewikkelder is. Verrijking is onder te verdelen in verdieping en verbreding. Verdieping sluit aan op de basisstof en het reguliere curriculum. Verbreding is een uitbreiding van het reguliere curriculum. Belangrijk hierbij is dat er ook wordt gekeken naar de eigen interesses. Een cursus Latijn kan voor sommige leerlingen bijvoorbeeld bijdragen aan de leerbehoefte terwijl voor andere leerlingen een creatieve uitdaging meer gepast is.

Met het aanbieden van uitdagende lesstof, komt ook passende begeleiding kijken. Hoogbegaafde kinderen kunnen veel zelf en onderzoeken graag, toch blijven begeleiding en coaching in het zelfleren belangrijk. Daarnaast is ook belangstelling, waardering en beloning nodig voor het extra werk dat gedaan wordt en moeten er genoeg mogelijkheden zijn om vragen te kunnen stellen. Het gebruik van extra lesmateriaal mag trouwens nooit een middel zijn om hoogbegaafden kinderen ‘bezig te houden’ totdat klasgenoten weer bij zijn.

3. Ontwikkelingsgelijken bij elkaar brengen

Vanwege het anderszijn en het anders denken, voelen veel hoogbegaafden zich de vreemde eend in de bijt. Ze voelen dat ze er net niet helemaal bij horen en begrijpen niet altijd waarom dat is. Naast dat dit een eenzaam gevoel meebrengt, stimuleert het ook de overtuiging dat ze de enige zijn die voelen wat ze voelen, zien wat ze zien en denken wat ze denken. Het bij elkaar brengen van gelijkgestemden, helpt kinderen bij de realisatie dat ze niet de enige zijn en dat ze niet alleen staan in wat ze denken en voelen. Dit heeft een positieve invloed op het zelfvertrouwen en het ontwikkelen van de eigen identiteit.

Ontwikkelingsgelijken zijn ook nodig voor de sociale en emotionele ontwikkeling. Wanneer er binnen de school, bijvoorbeeld in de vorm van een plusklas, een plek wordt geboden waar hoogbegaafden elkaar kunnen treffen, kan dit de ontwikkeling sterken en bijdragen aan de mate waarin een kind gelukkig is en vanuit daar tot leerprestaties kan komen.

Hoe kies je de juiste school voor jouw hoogbegaafde kind?

Omdat school een grote invloed heeft op de ontwikkeling van jouw kind, is het belangrijk dat de school aansluit bij de leer- en sociale behoeften van jouw kind. Het kan zijn dat de huidige school dit niet doet. Dan is het aan te raden om je af te vragen of deze school dan wel de juiste school is. Zeker als je merkt dat er ‘problemen’ aan het ontstaan zijn, zoals depressieve gevoelens, emotionele uitbarstingen of het weigeren naar school te gaan.

Hoewel het wisselen van school best wat meebrengt voor zowel jou als jouw kind, kan het soms wel echt de voorkeur genieten. Denk altijd na over de mate waarin de school positief bijdraagt aan de ontwikkeling van jouw kind. En wees je ervan bewust dat hoogbegaafde kinderen soms ogenschijnlijk gemakkelijk mee kunnen gaan in het geboden onderwijs, dat ze het soms goed lijken te doen vanwege de kwaliteit van het aanpassen, maar dat er op de achtergrond veel schade aangericht kan worden. Gevoelens van eenzaamheid, depressie en zelfs suïcidale gedachten zijn niet ongewoon bij hoogbegaafde kinderen die moeten functioneren in een omgeving die niet aansluit.

Wanneer je vermoed dat jouw kind hoogbegaafdheid is, of als je dit al hebt laten vaststellen, en je gaat op zoek naar een school die beter past, is het goed om bij het kiezen van een nieuwe school oplettend te zijn op hoe er met hoogbegaafdheid wordt omgegaan. Denk hierbij aan wat de mogelijkheden zijn rondom het aanbieden van passende lesstof en de mate waarin jouw kind ontwikkelingsgelijken kan treffen.

Wanneer je scholen aan het bekijken bent, kun je de volgende vragen stellen om te onderzoeken in hoeverre de school kan bieden wat jouw kind nodig heeft:

  • Wat is de visie van de school op het gebied van hoogbegaafdheid? Is het iets wat ze ‘erbij’ doen, of heeft het echt de aandacht?
  • Wat doet de school precies voor kinderen met een ontwikkelingsvoorsprong? Wat zijn de mogelijkheden voor compacten en verrijken? Hoe kijkt de school tegen versnellen aan?
  • Heeft de school een plusklas of anderzijds lesuren waarin extra uitdaging geboden wordt en waar jouw kind gelijkgestemden kan ontmoeten?
  • Wat doen ze precies in de plusklas en worden de lessen gegeven door een gespecialiseerde leerkracht of door een vrijwilliger?
  • Welke lesmaterialen heeft de school om kinderen met een voorsprong tegemoet te komen?

Merk je dat hoogbegaafdheid vrijwel geen plek krijgt binnen de school? Dan is het slim om nog even verder te kijken.
Tegenwoordig zijn er overigens ook scholen die een wat vrijere manier van lesgeven hebben en daarom beter passen bij meerbegaafden/hoogbegaafden jongeren. Denk bijvoorbeeld aan de Montessori scholen en andere vrije scholen. De mate waarin zo’n school past, is ook afhankelijk van de manier waarop hoogbegaafdheid bij jouw kind tot uit. Een kind met een klassiekere vorm van intelligentie zal beter gedijen in onderwijsomgevingen dan een kind met een creatievere vorm van intelligentie. Lees in dit artikel ook meer over de verschillende soorten intelligentie ‘De rol van intelligentie in hoogbegaafdheid’.

Wat als school geen optie meer is?

In sommige gevallen zal de uitkomst zijn dat school echt geen optie meer is. Voor creatieve hoogbegaafden is de te belopen weg soms buiten het huidige onderwijsstelsel. Inmiddels zijn er ook opties voor hoogbegaafde jongeren die niet passen in het huidige onderwijs en op het punt staan uit te vallen, of al zijn uitgevallen. Een voorbeeld hiervan is www.spirare.org, wat Adrienne in 2014 mede-ontwikkeld heeft samen met de initiatiefnemers. Als ouder wil je natuurlijk het liefst zien dat jouw zoon of dochter straks met een papiertje staat omdat het toch bepaalde opties meebrengt. Maar wanneer dit niet de weg is van jouw kind, kun je beter de focus leggen op het samen met jouw kind onderzoeken wat dan wel de weg is.

Niets is het waard dat jouw kind de overtuiging krijgt te moeten leven in een wereld waarin hij of zij niet thuishoort. Een wereld die erom vraagt dat hij of zij iemand anders wordt dan zichzelf. Bij Spirare werd duidelijk zichtbaar hoe de druk van ouders en de schoolomgeving ervoor kan zorgen dat jongeren al met één been uit het leven aan het stappen waren. Onderschat nooit de innerlijke strijd die hoogbegaafde jongeren moeten leveren als ze moeten functioneren in een systeem wat tegen de eigen natuur ingaat. Wanneer jouw kind signalen van depressie vertoont, zich vaker afsluit en zwaarmoedig is, neem dit dan heel serieus. Liever een kind dat niet meer naar school gaat en geen diploma heeft, dan een kind dat niet meer wil leven.

Als een reguliere school geen optie meer is, onderzoek dan de mogelijkheden rondom alternatieve ontwikkelomgevingen en rondom het persoonsgebonden budget (PGB) .

Hoewel je als ouder graag ziet dat jouw kind een diploma haalt, is een diploma wel altijd een middel. Voor sommige hoogbegaafde jongeren is de weg en het doel anders, en is daardoor het diploma ook minder noodzakelijk. Denk bijvoorbeeld aan een hoogbegaafde die het in zich heeft iets nieuws te ontwikkelen. Een diploma kan dan eerder afleiden van de weg die hij of zij te gaan hebben.

Weet ook dat als op een later moment blijkt dat jouw kind een diploma nodig heeft om een bepaald beroep te kunnen beoefenen wat ze graag willen doen, ze alsnog een diploma kunnen halen. Dan ligt er een interne motivatiestructuur onder en is de kans groter dat ze er succesvol in zijn. Kijk altijd vanuit wat jouw kind nodig heeft om tot ontwikkeling te komen en leer te vertrouwen op de weg die jouw kind te gaan heeft. Ook als niemand in de omgeving dat begrijpt.

Meer lezen over hoogbegaafdheid?

Vraag dan het gratis ebook aan over hoogbegaafdheid. Ontdek wat het meebrengt en hoe het zich uit in het leven van jouw kind.

Vraag het EBOOK over hoogbegaafdheid aan