De rol van intelligentie in hoogbegaafdheid

De rol van intelligentie in hoogbegaafdheid

Adrienne van den Bos Hoogbegaafdheid, Sneller zijn, Uitgelicht 2 Comments

Regelmatig horen we bij Gifted People van mensen die zich in bijna alle opzichten herkennen in hoogbegaafdheid, en toch twijfelen. Vaak heeft dat te maken met het intelligentiecomponent. Zeker als je vaak het gevoel hebt dingen anders te zien en te doen, is de kans groot dat je onterecht aan jezelf bent gaan twijfelen. Daardoor ontstaat de overtuiging dat je niet hoogbegaafd kunt zijn omdat je daar niet slim genoeg voor bent.  Wanneer je de mogelijkheid dat je hoogbegaafd bent aan de kant schuift, mis je alleen wel de kans om te gaan ontdekken hoe jij in elkaar zit. Als gevolg kun je het moeilijk hebben om jouw plek en rol in deze wereld in te kunnen nemen en jouw unieke gaven te kunnen ontdekken en inzetten. Daarmee doe je jezelf en ook de wereld te kort.

In dit artikel gaan we daarom nader in op de rol van intelligentie in hoogbegaafdheid en hoe dat op verschillende wijze tot uiting kan komen. Om te beginnen met het AIS-model.

Het AIS-model van hoogbegaafdheid

Hoogbegaafdheid omvat een groot aantal kenmerken en eigenschappen die bij iedere hoogbegaafde weer net iets anders tot uiting komt. Dat maakt het al lastig om over jezelf te kunnen zeggen dat je hoogbegaafd bent. Er zijn namelijk altijd wel een paar punten waar jij je minder in herkent. Daarom gebruiken we bij Gifted People het overkoepelende AIS-model om hoogbegaafdheid uit te leggen (lees verder in dit artikel). AIS staat voor de drie hoofdkenmerken: anders, intens en snel. Want hoewel de deelkenmerken per hoogbegaafde kunnen verschillen, zijn deze hoofdkenmerken, die de basis vormen van dit model, altijd aanwezig.

Daar waar het anders-zijn en intens-zijn veel overlap heeft met hoogsensitiviteit, is overigens het kenmerk ‘snel’ de onderscheidende factor hiertussen. In het verlengde van het kenmerk ‘snel’ kan namelijk ook de bovengemiddelde intelligentie (IQ > 130) en potentie benoemd worden. Intelligentie is overigens niet verwisselbaar met het behalen van hoge resultaten op school of in de werkomgeving. Dat is mede afhankelijk van de omgeving en de mate waarin de omgeving aansluit. Intelligent zijn betekent ook niet dat je altijd alles goed doet of overal succesvol in bent en overal in uitblinkt. Je kunt ook hoogbegaafd zijn als je superslecht bent in taal of in wiskunde. Je kunt ook hoogbegaafd zijn als je soms “domme dingen” doet.  

Verschillende vormen van intelligentie

Hoewel de bovengemiddelde intelligentie onderdeel is van hoogbegaafdheid, komt het niet altijd op dezelfde manier tot uiting. Intelligentie kan namelijk voorkomen in verschillende vormen. Howard Gardner noemt dat Meervoudige Intelligentie. Hij ziet intelligentie als het vermogen om problemen op te lossen en volgens hem beschikt iedereen over een aantal specifieke vaardigheden op gebieden van wiskunde, taal of muziek die daarbij gebruikt kunnen worden. Wanneer een persoon niet hoog scoort op een intelligentietest, wil dat volgens Gardner dan ook niet zeggen dat deze persoon niet begaafd is. Intelligentietesten meten volgens zijn theorie ook maar enkele dimensies van begaafdheid, namelijk de verbale vaardigheid (verbaal-linguïstische intelligentie), rekenvaardigheid (logisch-mathematische intelligentie) en ruimtelijk inzicht (visueel-ruimtelijke intelligentie). Gardner stelt dat er ook andere intelligentiegebieden zijn waarop iemand begaafd kan zijn. In zijn theorie van Meervoudige Intelligentie benoemt hij de volgende negen soorten intelligentie:

  1. Verbaal-linguïstische intelligentie: het vermogen om taal te gebruiken om jezelf uit te drukken, andere mensen te overtuigen en anderen te begrijpen. Een persoon met een hoge verbaal-linguïstische intelligentie is over het algemeen een goede spreker met een grote woordenschat. Mensen met een hoge verbaal-linguïstische intelligentie leren het best door te lezen of te luisteren.
  2. Logisch-mathematische intelligentie: het vermogen om verbanden te begrijpen, gestructureerd te werken en om te gaan met (abstracte) getallen. Mensen met een hoge logisch-mathematische intelligentie leren het best door werkzaamheden uit te voeren.
  3. Visueel-ruimtelijke intelligentie: het vermogen om een concreet probleem voor zich te zien. Een persoon met een hoge visueel-ruimtelijke intelligentie denkt in beelden, houdt van kunst en heeft een goed gevoel voor ruimtelijke verhoudingen. Mensen met een hoge visueel-ruimtelijke intelligentie leren het best door een concreet probleem voor zich te zien.
  4. Muzikale intelligentie: het hebben van een goed gevoel voor geluid en ritme en een grote voorliefde voor muziek. Mensen met een hoge muzikale intelligentie leren het best door te luisteren of door rijtjes op te dreunen.
  5. Lichamelijke intelligentie: het vermogen om het lichaam te gebruiken zodat je hiermee iets kunt uitdrukken, een probleem kan oplossen of een doel kunt bereiken. Mensen met een hoge lichamelijke intelligentie leren het best met hun handen of door te doen.
  6. Intrapersoonlijke intelligentie: het vermogen om zelfstandig beslissingen te nemen. Een persoon met een hoge intrapersoonlijke intelligentie is onafhankelijk, heeft een hoge wilskracht en een hoge zelfreflectie. Mensen met een hoge intrapersoonlijke intelligentie leren het best door zelfstandig te werken.
  7. Interpersoonlijke intelligentie: het vermogen om zich in te leven in andere personen, andere personen te begrijpen, andere personen te begeleiden en andere personen te manipuleren. Een persoon met een hoge interpersoonlijke intelligentie is sociaal, gaat vaak mee in andermans humeur en heeft een hoog EQ. Mensen met een hoge interpersoonlijke intelligentie leren het best door samen te werken en door middel van groepswerk.
  8. Natuurgerichte intelligentie: het vermogen om natuurlijke elementen te herkennen, te begrijpen en te gebruiken. Een persoon met een hoge natuurgerichte intelligentie is goed in het herkennen van dieren en planten en kan die kennis toepassen in het dagelijks leven. 
  9. Existentiële intelligentie: het vermogen om te filosoferen. Een persoon met een hoge existentiële intelligentie stelt kritische vragen over het leven en het bestaan, is belangstellend in het universum en filosofeert graag. Mensen met een hoge existentiële intelligentie leren door diep op problemen in te gaan. 

De kanttekening bij het model van Gardner is wel dat zijn theorie niet (voldoende) bewezen is. We benoemen deze theorie toch omdat we bij Gifted People zien dat er veel herkenning plaatsvindt bij hoogbegaafden in deze verschillende vormen van intelligentie zoals benoemd door Gardner, en omdat het sowieso waardevol is om er bij stil te staan dat er niet maar één vorm van intelligentie is. 

Meer bewezen en overeenkomstig met het uitgangspunt van Gardner, is het CHC-model van intelligentie. Dit is een samenvoeging van de theorieën van Cattell, Horn en Carroll. Uitgangspunt hier is ook dat er niet maar één soort intelligentie is en dat de specifieke cognitieve vaardigheden worden beïnvloed door brede cognitieve vaardigheden en dat deze factoren weer verschillend worden beïnvloedt door algemene intelligentie. Het CHC-model houdt hierbij rekening met zowel de vloeiende intelligentie als de gekristalliseerde intelligentie. 

Vloeiende intelligentie is aangeboren en omvat het vermogen om flexibel te denken en te redeneren in nieuwe situaties. Gekristalliseerde intelligentie is aangeleerd en omvat cultuurspecifieke kennis die kan worden toegepast. Naast vloeiende en gekristalliseerde kennis worden er nog zeven bredere vaardigheden in het model benoemd, namelijk:

  • Kwantitatieve kennis: het vermogen om kwantitatieve begrippen te begrijpen en te hanteren;
  • Lezen en schrijven: het vermogen om geschreven taal eigen te maken, te begrijpen en hiermee je gedachten uit te drukken;
  • Kortetermijngeheugen: het voor korte tijd onthouden van informatie om te gebruiken;
  • Langetermijngeheugen: het voor langere tijd onthouden van informatie en dit terug kunnen halen;
  • Visuele informatieverwerking: het waarnemen, ordenen en interpreteren van visuele informatie;
  • Auditieve informatieverwerking: het waarnemen, ordenen en interpreteren van auditieve informatie;
  • Verwerkingssnelheid: de snelheid waarmee je de informatie verwerkt.

Het CHC-model wordt tegenwoordig vaak als basis gebruikt om het begrip ‘intelligentie’ te omvatten.

Is een intelligentietest nodig om hoogbegaafdheid vast te stellen?

Het vraagstuk rondom het slim genoeg zijn om hoogbegaafd te zijn, maakt dat veel hoogbegaafden lange tijd blijven zoeken en dwalen. Soms is de oplossing daarvoor het doen van een IQ-test. Deze test kan uitsluitsel geven over het intelligentiecomponent. Een intelligentietest is overigens ook de enige manier om officieel hoogbegaafdheid te kunnen vaststellen. Maar, hierbij plaatsen we wel de kanttekening dat een bovengemiddelde intelligentie niet per definitie op een IQ-test naar boven zal komen. Een IQ-test is een momentopname en kan beïnvloed worden door factoren als spanning, motivatie, vermoeidheid, afleidende factoren, onderpresteren en faalangst. Een IQ-test meet daarnaast, zoals we hebben gezien, niet alle vormen van intelligentie. 

Wanneer uit de IQ-test een bovengemiddeld score komt, zal hoogbegaafdheid wel bevestigd kunnen worden. Maar een score onder de 130 sluit hoofdbegaafdheid niet per se uit. 

Uiteindelijk is de hoofdvraag in hoeverre jij het voor jezelf noodzakelijk vindt om die externe bevestiging te gaan halen, en of het je niet meer oplevert als je jouw tijd en energie stopt in het vinden van de interne bevestiging. Het gaat in de kern eigenlijk niet om het label. Het gaat erom dat je aan de hand van de kenmerken van hoogbegaafdheid waar jij je in herkent, jezelf beter kunt leren kennen. Dat je beter begrijpt hoe je in elkaar zit, hoe je bedraad bent en wat je nodig hebt om tot je recht te komen. Ons advies is dan ook om jezelf er voor open te stellen. Om te gaan onderzoeken wat hoogbegaafdheid betekent en voor jou betekent. Dat is waar de waarde ligt.

Weet ook dat je aan niemand iets hoeft te bewijzen en dat anderen niet zomaar over jou kunnen zeggen of je wel of niet hoogbegaafd bent of dat je er wel of niet slim genoeg voor bent. Ook niet als die ander zelf hoogbegaafd is. Wees daarom voorzichtig met het luisteren naar mensen die geen specialist zijn op gebied van hoogbegaafdheid en toch een mening hebben over wat hoogbegaafdheid is. Wees selectief in naar wie je luistert en luister vooral ook naar jouw eigen intuïtie en de mate waarin jij denkt dat hoogbegaafdheid relevant is voor jou. Wees vooral nieuwsgierig naar wat je aan de hand van hoogbegaafdheid over jezelf nog kunt gaan ontdekken. 

Vorige blogVolgende blog

Comments 2

  1. Ik scoor 120 en ben daarbij dus bovengemiddeld volgens deze tabel:

    > 130 Zeer begaafd
    121-130 Begaafd
    111-120 Bovengemiddeld intelligent
    90-110 Gemiddeld intelligent
    80-89 Benedengemiddeld intelligent
    70-79 Zwak begaafd.

    Dan begrijp ik deze zin van jou niet: Wanneer uit de IQ-test een bovengemiddeld score komt, zal hoogbegaafdheid wel bevestigd kunnen worden. Maar een score onder de 130 sluit hoofdbegaafdheid niet per se uit.

  2. Als je zeer autonoom bent ,kan dat met je hoogbegaafdheid te maken hebben? En daarbij ook nog inflexibel ?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *